Hartelijk welkom »

.:: Startpagina ::.

Contact Colofon Faq Help Sitemap  
.:: HOMEPAGE ::.

ACTUEEL:

Lidmaatschap

De Vereniging

Concertagenda

Activiteiten

Leden

 

Marktplaats

Workshops

 
ALGEMEEN:
Gastenboek
Kinderhoek
Archief
Links
 
METEEN DOOR NAAR:
Panfluitdocenten
Panfluitbouwers
Panfluitkrant
 
English Germany Francaise
Language
 
 
 
 
 
  De geschiedenis van de panfluit
Door Mariëtte Schrijnemaekers 
 
Een legende uit de Griekse mythologie vertelt over het ontstaan van de panfluit. De god Pan, een herder, zag er niet erg aantrekkelijk uit, want hij had hoorns, een baard en bokkepoten. Op een dag ontmoette hij de mooie nymf Syrinx, maar zij was bang voor Pan en vluchtte. 
 
Pan achtervolgde haar en toen zij bij de oever van een rivier kwam smeekte ze de god van de rivier om haar te helpen. Deze veranderde Syrinx in een rietstengel. Toen Pan bij de rivier aankwam vond hij niemand en op zijn roepen kwam geen antwoord. Het enige wat hij hoorde was het ruisen van het riet. Hij plukte de rietstengel en verdeelde hem in zeven stukken en verbond deze met elkaar. Hij begon erop te spelen om aan zijn verdriet uiting te geven en als herinnering aan de nymf noemde hij dit instrument "Syrinx".
 
Ook wordt in de Griekse mythologie vertelt over de wijnfeesten van Dyonysos, waarbij de panfluit gebruikt werd.
Verder is er het verhaal van Pan die Apollo uitdaagt tot een wedstrijd, waarbij Pan op de panfluit en Apollo op de lier speelt. Midas zal beoordelen wie de beste is; Pan komt als winnaar uit de strijd te voorschijn. Dit wordt ook beschreven in een gedicht van C.Gravesteyn uit 1660:"Op het speelen van Apollo en Pan met het oordeel van Midas".
 
Het is moeilijk vast te stellen wanneer en waar de panfluit werkelijk is ontstaan, maar het instrument kwam in elk geval in de Griekse Oudheid voor.
 
Het waren instrumenten voor herders en ze bestonden uit een verzameling buizen van verschillende lengte, meestal zeven, elk ervan leek op een eenvoudige rechte fluit zonder vingergaten, die gesloten was aan het ondereinde en slechts één toon van de toonreeks gaf. Zij waren aaneengevoegd op een wijze van een vlot, de boveneinden vormden een horizontale lijn, de door de benedeneinden gevormde lijn was veranderlijk van vorm.
Het materiaal wat gebruikt werd was riet, hout, been , brons of metaal; met riet aaneen gebonden of met lak of was samengekleefd. 

Omstreeks 1300 voor Christus zijn in Griekenland al toonvoortbrengers zoals zangstem, lier, harp en panfluit. 689 voor Christus beschrijft Hesiodos, dichter uit Boëstrië, in "Theogonie" (over het ontstaan van de wereld en de goden) negen muzen; Callope, van de heldenzang, wordt ook wel met een panfluit van negen pijpjes afgebeeld. 

Mogelijk is de geschiedenis van de panfluit begonnen met het ontstaan van de rechte, gatenloze fluit. Deze bestonden reeds in de oude steentijd ( tussen 40.000 en 10.000 jaar voor Christus). Je kon er één toon op spelen en eventueel overblazen of afdekken.
 
Daarna ontstond het idee om rechte fluiten van verschillende lengte te combineren, waarschijnlijk eerst met evenveel spelers als rechte fluiten. Elke speler speelde dan één toon, maar wel allemaal verschillende. Voor de hand liggend is het dat dan de wens ontstaat tot de concentratie van spelers tot één instrumentalist, dat de pijpjes gebundeld worden en het instrument ontstaat dat we nu pan(s)fluit noemen. 

De vroege Griekse panfluiten, tot ca. 40 v.Chr. leken veel op de Chinese panfluiten uit de Han-dynastie (206 v.Chr. - 220 n.Chr.). Het vlot was rechthoekig en de buizen verschilden inwendig van lengte. Later werd één lager uiteinde uit de rechthoek gesneden, of een grotere hoek, zodat een vleugelvorm ontstond, die de werkelijke vorm van de buizen volgde; ofwel de diagonale lijn van de buizen daalde soms trapsgewijs. Deze heetten "Syrinx" of nauwkeuriger "Syrinx polykalmós", wat wil zeggen: Syrinx met vele rieten. Syrinx mono kalmós duidde op een enkelvoudige, rechte fluit. 


N.B. Als de pijpen in één vlak gerangschikt zijn, spreken we van vlotvormige panfluiten of "vlotfluiten" in tegenstelling tot "bundelfluiten" waarbij de pijpen verbonden worden tot een min of meer rond "bos". 

CHINA
In een Chinees gedicht uit 1100 v. Chr. wordt melding gemaakt van het oudste blaasinstrument uit het Verre Oosten, de "Kuan".
Dit is waarschijnlijk een rechte fluit zonder vingergaten geweest, gestemd naar een van de twaalf "lü" of standaardtonen. Over het ontstaan van de lü gaat het volgende verhaal:
In 2697 v. Chr. werd Ling-Loen, muziekintendant van de Gele Keizer Hoeâg-ti, op reis gestuurd om de Vaststaande Toon te zoeken.Bij de Gele Rivier vond hij bamboestengels van gelijke dikte en hij sneed er één af om op te blazen. Een vogelpaar kwam aangeflogen en het mannetje floot zes tonen, beginnend op de zojuist gehoorde toon en het vrouwtje floot zes andere die ertussen pastten. Zo ontdekte Ling-Loen de Vaststaande Tonen. Hij sneed nog elf bamboestengels van verschillende lengte af en keerde met deze twaalf pijpjes terug naar huis. Hij had in de natuur de bamboefluit gevonden en de toonladder was hem door de natuur voorgezongen (naar onze huidige begrippen in halve tonen). 

De vereniging van een volledig stel van twaalf stemfluitjes geeft een panfluit, de p'ai hsiao. De twaalf pijpen waren volgens de harmonie van de yang en yin, verdeeld in zes mannelijke en zes vrouwelijke tonen. De oneven getallen mannelijk en de even getallen vrouwelijk en de pijpjes waren ook in die groepen verdeeld. Het instrument werd dan ook lang als instument voor de bepaling van de toonhoogte gebruikt. Later zien we een symetrische rangschikking met de mannelijke pijpen aan de ene en de vrouwelijke pijpen aan de andere kant, waarij de langste pijpen aan de zijkant en de kortste in het midden.
Deze symmetrische schikking is dus pas van latere datum, in vroegere tijden werd alleen een verdeling gemaakt in mannelijke en vrouwelijke pijpjes, zonder rekening te houden met de melodie.
 
Pan(s)fluiten uit het Verre Oosten zijn vlotvormig en hebben rieten met inkepingen in de bovenrand. Op een wandschildering in de grotten van Toeang-Choeang uit de T'ang-dynastie (618-907) zien we een Chinees orkest met een bespeler van de panfluit.

Midden en Zuid-Amerika
Panfluiten werden gemaakt van riet, maar ook van massieve stukken hout, klei en steen of metaal en waarin kanalen werden uitgehold. De panfluiten van de Andes-Indianen zijn duidelijk anders dan die van de Amazone-Indianen.
Bij de eerste groep zien we veel dubbele panfluiten. Bij de Amazone-Indianen in het gebied van de Xingu-rivier wordt het instrument herleid tot twee lange, aan elkaar gebonden bamboepijpen, de "urua" die gebruikt werd bij dodenrituelen.
 
In Bolivia werd de rechte oud-Indiaanse fluit, de "sicu" bespeeld; deze werden van verschillende lengte gemaakt en elke speler blies een andere toon. Later ontstond het idee om de fluiten te bundelen. 

Bij de Andes-Indianen zijn panfluiten gevonden die heel veel lijken op de panfluiten uit China en Oceanië, namelijk panfluiten die uit 2 delen bestaan en waarvan de tonen elkaar aanvullen. Een groep werd als mannelijk en een als vrouwelijk bestempeld.
Sommige fluiten waren zo gebouwd dat één rij open en de andere rij gesloten pijpen had, waardoor in het bovenoctaaf gespeeld kon worden. Dergelijke panfluiten zijn afgebeeld op oud aardewerk uit Peru, waar het instrument "antara" werd genoemd.
De Amerikaanse archeoloog Charles W.Mead beschrijft panfluiten uit Bolivia met de volgende woorden:"Twee pansfluiten, samengebonden door een lang koord en door twee musici bespeeld. Ieder instrument heeft slechts de helft van de tonen van de reeks, alle andere zijn afwezig en die moeten worden gegeven door de man die de aanvullende pijp bezit".
De Cuna-Indianen in Panama (die een schrift hebben wat verwant is met het alleroudste Chinese schrift) verenigen "mannelijke en vrouwelijke" panfluiten om kwintenparallellen te blazen. Een duidelijk verband dus tussen panfluiten uit China, Midden en Zuid-Amerika maar ook Oceanië. De panfluiten zouden uit China naar Amerika zijn gebracht en daar zijn meerdere theorieën over: De zeestroom die zich van Melanesië naar het zuiden beweegt en om Nieuw-Zeeland heen gaat en vervolgens Oost- en Noordwaarts naar Peru trekt, zou af en toe wel eens schepen met mensen meegevoerd kunnen hebben, dus via de zuidelijke Golfstroom. Een andere theorie: ongeveer 10.000 v. Chr. had er een volksverhuizing der Mongolen plaats via de toen droog liggende Beringstraat naar Canada en Amerika en misschien zijn er volkstammen met de panfluit tot in Zuid-Amerika doorgedrongen. 

Nog enkel benamingen die we in Zuid-Amerika tegenkomen: In Columbia "capador", in Equador "rondador", in Peru "huayara-puhura". Verder nog "alumnaxkaki", "cheko", "chiru" en "maiso". 


Oceanië
De panfluiten die hier gebruikt werden tonen veel gelijkenis met de Chinese panfluit, waarvan zij zouden zijn afgeleid.
Zo zien we op de Solomons-eilanden ensembles waarin meerdere panfluiten samenspelen, elk instrument heeft, volgens zijn samenstelling, zijn eigen naam, samen hebben ze een omvang van drie octaven. Verder treft men op de Solomons-eilanden nog de gatenloze rechte fluit aan, de "sukwadi" en men treft er panfluiten met open pijpen aan.

In Melanesië zijn dubbele panfluiten gevonden die in één orkest door twee spelers bespeeld worden. Op de eilanden van de Bismarck-archipel zijn ook panfluiten gevonden.

Egypte
In Egypte kwamen rechte fluiten voor, ze worden voor het eerst vermeld op een prehistorische lei waarop een jager een fluit bespeelt. Het waren eenvoudige bamboefluiten, zonder kernspleetkop, met vingergaten. De fluit bestaat nog in de gehele Islamitische wereld, ze is het best bekend onder haar Perzische naam "Nay".

In het oude Egypte waren veel invloeden van buitenaf, in de 5de eeuw v.Chr. van Aziatische (vooral Syrische) muziek en in de 3de eeuw v.Chr. komt daar nog de invloed van Griekenland bij. We vinden in Egypte buiten de inheemse en uit Syrië geïmporteerde, ook nog de Griekse muziektheorie en de Griekse muziekinstrumenten. Vermoedelijk zijn de in Egypte gevonden panfluiten veelal geïmporteerd. In Egypte, vooral in het internationale Alexandrië, kwamen straatmuzikanten voor, meestal een liedjeszanger met zijn begeleider, een fluitspeler.
Vermoedelijk uit de laatste eeuw v.Chr. stamt een terracotta beeldje waarop een zittende Syrische pijper tegelijkertijd zingt en speelt.

Op de manier van de rondreizende minstrelen verricht deze man meerdere handelingen tegelijk. Enkele centimeters onder zijn zingende mond houdt hij een panfluit vast, de lange bas-rieten ervan zijn verbonden met een zak die in verbinding staat met een blaasbalg, bewerkt door de rechtervoet en samengedrukt met zijn arm. Kennelijk speelt hij alleen tussen de verzen op zijn panfluit. Terwijl hij zingt schijnt hij de blaasbalg te bedienen en een bourdontoon voort te brengen op een van de bas-rieten.
Deze combinatie van een panfluit met een kunstmatig opgewekte luchtstroom moet een langzame evolutie zijn geweest die geleid heeft tot de uitvinding van het orgel.

In de 3de eeuw v.Chr. wordt aan de ingenieur Ktesibios uit Alexandrië de uitvinding van het orgel toegeschreven en in 170 v.Chr. ontstaat het zogenaamde waterorgel.
In de Islamitische wereld komt men de panfluit tegen, deze wordt "gina" genoemd.

In Afrika worden panfluiten aangetroffen, waarbij het aantal pijpen kan varieëren van twee tot twaalf. Een voorbeeld hiervan is de "mishi" van de Lunda uit Shaba-Zaïra.

West-Europa
Uit het voorafgaande is gebleken dat de panfluit niet bepaald een Europees instrument is. Wel zijn er onder andere bij Ljubljana vondsten gedaan van allerlei voorwerpen uit het vroegere IJzeren Tijdperk ( 6de en 5de eeuw v.Chr), waarop afbeeldingen voorkomen van vlotvormige panfluiten met vijf en zes pijpen, meestal in combinatie met de lyra. Dat de panfluit in Europa van het toneel verdween houdt mogelijk verband met het tot ontwikkeling komen van het orgel.

Toch waren er ook in de Middeleeuwen panfluit spelende herders. In de 12de en 13de eeuw werd de panfluit (waarschijnlijk identiek met de frestele, frêtel of frêtian) bespeeld door minstrelen.

Nog in de 19de eeuw kon men in Engeland rondreizende panfluitisten aantreffen. In 1807 schreef een zekere Daire, die een nieuwe panfluit uitvond, een soort panfluit methode: "The complete Preceptor for Daire's new invinted Syrrinx or patent Pandean Harmonica, containing tunes and military pieces in one, two, three and four parts".
Verder gebruikt W.A.Mozart de panfluit in zijn opera "die Zauberflöte". 

Nog enkele namen die we in Europa voor de panfluit tegenkomen: in Frankrijk "fieould" en "fioulet cristedou", tegenwoordig "flûte de pan".
in Italië "organino" en "zuffolo pastorale", tegenwoordig "flauto di Pane".
In Spanje "zampona"
In Slowakije "costimaje" en "trstjenke".
InTurkije "mithqal" en "mizmar duduyi".
In Baltische landen "skaudumas"
Bij de Kozakken "svirlejka" 
In Engeland "pandean pipes" en panpipes".
In Duitsland "Pansflöte".

Roemenië
Hoe de panfluit in Roemenië is gekomen is niet precies bekend. Tegen het einde van de 74 eeuw v.Chr. hadden de Grieken een zeer machtige vloot. Zij wisten daarmee door te dringen tot de Zwarte Zee en bezetten de Roemeense kust en vestigden daar drie koloniën: Histria, Callitis (tegenwoordig Mangalia) en Tomis (tegenwoordig Constanta). Gedurende vele eeuwen hebben de Grieken veel invloed op de oorspronkelijke bevolking, de "Geto-daces".

De panfluit is toen waarschijnlijk wel doorgedrongen tot het Roemeense gebied, maar het is de vraag of het instrument door de bewoners geaccepteerd is in hun eigen muziek.
Wel zijn er bewijsstukken gevonden van het bestaan van de panfluit in Roemenië, maar dat was op maar enige honderden kilometers afstand van de Griekse koloniën aan de Zwarte Zee, namelijk in Oltenië. Een sarcofaag waarop in reliëf een panfluitspeler staat afgebeeld en verder enige fresco's in zeer oude kerken. 

Ook wordt wel eens geopperd dat de panfluit bij de "Geto-daces" al gebruikt werd voordat de Grieken er kwamen en zo via Griekenland bij de andere volken verspreid werd.
De panfluit was altijd zeer geliefd bij de herders en dat is nog steeds, men kan er nog altijd ontmoeten in bergen en valleien.
Alleen is intussen de vorm wat veranderd, er zijn wat pijpjes aan toegevoegd en ook de manier van spelen is nogal veranderd. De naam werd "muskal" en tegenwoordig is het "nai".
Het instrument is een tijd lang erg zeldzaam geweest in Roemenië, langzamerhand is het van de herders overgegaan naar de stadsmuzikanten, de "lautari".
In 1864 werd het lijfeigenschap van de zigeuners opgeheven, de bevrijde muzikanten gingen overal spelen tijdens bruiloften en feesten en de panfluit kwam steeds meer in zwang. De techniek werd steeds beter, ze begonnen langzamerhand de, door de viool gespeelde melodie mee te spelen en zelfs te vervangen.
De musicus Fanica Luca (1894-1968) "ontdekte" de panfluit en hij is beroemd geworden om zijn onvergelijkbare vertolkingen van populaire Roemeense melodieën. Hij speelde op een panluit met gebogen vorm om zo virtuoser spel mogelijk te maken.
In 1949 werd door hem voor het eerst lesgegeven in panfluit aan de muziekschool te Boekarest.
Hij had een groot talent op pedagogisch gebied en had al na enkele jaren een groep panfluiters van niveau samengesteld, zoals Damian Luca, (zijn neef), Nicolae Pîrvu, Gheorghe Zamfir, Marika Luca (zijn dochter), Radu Costèl, Constantin Dobre en Radu Simion.

Het spel van Fanica Luca was duidelijk gericht op een toon met minder geruis dan bij het vroegere panfluitspel. Hij en zijn leerlingen gaven de panfluit, die daarvoor meestal gebruikt werd als begeleidingsinstrument, een plaats in de rij van soloinstrumenten.

Nederland
In Nederland is sinds 1964 de panfluit populair geworden.Toen startte Sedje Hemon haar panfluitschool met eigen ontworpen panfluiten. Daar begonnen veel mensen hun loopbaan op de panfluit en de meeste van hen zetten vervolgens hun studie voort door lessen te nemen bij virtuozen als Nicolai Pîrvu en Damian Luca, die zich intussen in respectievelijk Nederland en België gevestigd hadden. Ook waren er mensen zoals onder andere Louis Lasance , Jan Kuijt en Peter Weekers, die hun eigen spel op de panfluit ontwikkelden en daarmee de populariteit voor het intrument verbreidden en de door hun vergaarde kennis weer doorgaven aan anderen.
Sinds 1979 wordt er op meerder plaatsen in Nederland aan muziekscholen lesgegeven in panfluit.
Op 10 oktober 1981 vond de oprichtingsvergadering van de Panfluitvereniging plaats. 17 leraren startten een vereniging met als doel: de belangstelling voor, de kennis van en de speelvaardigheid van de panfluit te bevorderen.
In september 1985 startte het Conservatorium te Hilversum met panfluit als hoofdvak met als docent Nicolae Pîrvu. Helaas is de opleiding na de fusie van de conservatoria gestopt.


Bronvermelding:
Curt Sachs. De geschiedenis van de muziekinstrumenten
Sesam, Mozaik der Muziekgeschiedenis.
Gheorghe Zamfir, Traité du naï Roumain
Wim Thijsse, De panfluit (artikel in Mens en Melodie)
Theo Willemze , Muzieklexicon en Muziekinstrumenten.
Algemene muziekgeschiedenis onder redactie van prof.dr.A.Smijers.
HARTELIJK WELKOM .:: HOMEPAGE ::. PANFLUIT-VERENIGING.NL
 

'muzikaal, karakteristiek geluid' © Panfluit-vereniging.nl